Seksueel misbruik door psychiater


Rechtbank Amsterdam 5 juli 2000, H98.2972, RN 2000,1231, Seksueel misbruik door psychiater: Eiseres is in 1986 bij een psychiater in therapie gegaan. Partijen hadden elkaar voor de behandeling leren kennen en de psychiater was verliefd geworden. Gedurende de behandelingsperiode hebben zich tijdens en daarna seksueel getinte handeling voorgedaan. Het contact is tussentijds verbroken maar hersteld tot maart 1995. Ter voorkoming van verjaring van de rechtsvordering heeft de raadsvrouw mr. van Driem op 24 maart 1997 per brief gedaagde laten weten dat haar cliënte overwoog een procedure bij de rechtbank te starten omdat zij door zijn gedrag schade had geleden. Het Medisch Tuchtcollege (MTC) heeft op 2 februari 1998 een door de vrouw ingediende klacht gegrond verklaard en geoordeeld dat de psychiater wegens zijn gevoelens voor de vrouw haar niet in behandeling had moeten nemen. Ook oordeelde het MTC dat de zich voorgedane handelingen ontoelaatbaar zijn en de psychiater misbruik heeft gemaakt van zijn machtspositie. In hoger beroep heeft het hof op 5 november 1998 bevestigd. De psychiater is in kort geding veroordeeld tot betaling van een voorschot van ƒ.25.000,00 wegens immateriële schade en ƒ.9.003 wegens materiële schade. In hoger beroep heeft het hof de immateriële schadevergoeding beperkt tot ƒ.5.000,00 en het voorschot met betrekking tot de materiële schade gehandhaafd. In de bodemprocedure nu voor de rechtbank vraagt de vrouw aan de rechtbank om de psychiater te veroordelen tot ƒ.48.163,25 als materiële schadevergoeding en ƒ.55.000,00 voor geleden en nog te te lijden immateriële schadevergoeding. De psychiater vordert in reconventie betaling van ƒ.14.003,00 namelijk het bedrag van hij heeft betaald aan de vrouw en volgens de psychiater onverschuldigd is. De psychiater voert voor zijn tegeneis aan dat de schadeclaim van de vrouw is verjaard. Hij stelt dat het laatste behandelingscontract in 1989 bepalend is voor de aanvang van de verjaringstermijn. De rechtbank oordeelt dat bij de vrouw sprake is geweest van een “diffuus bewustwordingsproces”. Voor de bepaling van het aanvangstijdstip van de verjaringstermijn dient dan ook te worden uitgegaan van 6 juni 1992, de datum van de brief van de raadsvrouw. Uit die brief is onmiskenbaar gebleken dat eiseres zich realiseerde dat de handelswijze van de psychiater schadelijke gevolgen voor haar met zich mee had gebracht. Het feit dat in november 1988 eiseres door een maatschappelijk werkster werd gewezen op het afkeurenswaardige karakter van het contact tussen partijen betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiseres bekend was met het feit dat zij schade had geleden. ook de bespreking van het contact met de na de behandeling geconsulteerde gedragsdeskundige brengt die bekendheid niet zonder meer met zich mee. Van verjaring is dan ook naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Ook van rechtsverwerking is ondanks het tussentijdse verbreken van het contact geen sprake. De gemaakte kosten van de rechtsbijstand in verband met de eerste instantie van de klacht bij het MTC worden tevens voor vergoeding toegewezen aangezien de aard van de klacht redelijk is dat eiseres een advocaat gebruikte. Materiële schadevergoeding ƒ.9.382,69 en vergoeding immateriële schadevergoeding ad ƒ.20.000,00 toegewezen.

Advertenties

Over zedenrecht

www.zedenrecht.nl
Dit bericht werd geplaatst in rechtspraak. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s