uitlatingen over homo’s


v.D.’s opmerking over homo’s Vrijheid van godsdienst en meningsuiting. Uitlatingen van een parlementariër jegens homoseksuelen is in dit geval volgens het hof (Hof Den Haag 9 juni 1999, AB 1999, 328) niet beledigend in strafrechtelijke zin. De beslissing van het hof over de aanklacht tegen RPF-kamerlid L. van Dijk wegens belediging van homoseksuelen is op 9 januari 2001 door de Hoge Raad bekrachtigd.

Hoge Raad 9 januari 2001, nr. 00945/00 JOL 2001, 32.

Aan de verdachte is tenlastegelegd: “primair dat hij in of omstreeks de periode van 10 juni 1996 tot en met 3 juli 1996 te ‘s-Gravenhage en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, zich in het openbaar schriftelijk opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten homoseksuele mensen, wegens hun homoseksuele gerichtheid, hebbende hij, verdachte, op 10 juni 1996 te ‘s-Gravenhage opzettelijk tijdens een interview/vraaggesprek met een of meer medewerker(s) van het weekblad “De Nieuwe Revu” zich in woorden van navolgende strekking uitgelaten en/of (vervolgens) de navolgende tekst(en) als weergave van vorengenoemd interview/vraaggesprek goedgekeurd / geautoriseerd:

-‘De EO weert bewust homoseksuelen, heeft A.K. verklaard. Goeie zaak?

“Ik denk dat je onderscheid moet maken tussen de homoseksuele praxis die ik afwijs en homoseksuelen als zodanig. Ik verwerp fraudeurs ook niet compleet omdat ze fraude bedrijven. Wat ik bedoel is dit ‘je kunt best iemand aannemen die een keer in de fout is gegaan. Zolang die persoon maar de intentie heeft om dergelijke misstappen niet te herhalen.” en/of

-‘Ondertussen plaatst u frauderen en het praktiseren van homoseksualiteit wel op een lijn’

“Wij christenen hebben een geweldig kwalijke eigenschap ontwikkeld: we brengen ten onrechte gradaties aan in Gods geboden. Alsof je erg en minder erg hebt! Maar waarom zou stelen, bijvoorbeeld uitkeringen pikken van de overheid, minder erg zijn dan zondigen tegen het zevende gebod? Ja, waarom zou een praktiserend homoseksueel beter zijn dan een dief”?

Welke hierboven weergegeven tekst(en) zijn /is gepubliceerd in het weekblad “De Nieuwe Revu” nummer 27 van 24 juni – 3 juli 1996.

Het Gerechtshof heeft verdachte vrijgesproken en daartoe overwogen:

(…)Door praktiserende homoseksuelen op één lijn te stellen met plegers van in het Wetboek van Strafrecht genoemde misdrijven wordt de waardigheid van de betreffende groep mensen miskend. Dat deze uitlatingen slechts praktiserende homoseksuelen, en niet homoseksueel geaarde (niet praktiserende) personen betreft, doet naar het oordeel van het hof aan het bovenstaande niet af. Bij homoseksuelen is immers de homoseksuele praxis – zoals dit ook ten aanzien van heteroseksuelen kan worden aangenomen – juist sterk verbonden met hun identiteit, zodat verwerping van die praxis verwerping hun bijzondere identiteit impliceert.

(…)Met homoseksuele gerichtheid wordt bedoeld: homoseksuele geaardheid en het daarmee samenhangende gedrag.

(…) In die context wordt door de retorische vraag “waarom zou een praktiserende homoseksueel beter zijn dan een dief?” de waardigheid van praktiserende homoseksuelen niet aangetast. De betreffende zin is dan niet meer dan een illustratie ter verduidelijking van de uitgedragen geloofsovertuiging.

Gezien bovendien de grondrechtelijke vrijheden van godsdienst en van meningsuiting stond het verdachte vrij zijn geloofsovertuiging uit te dragen. De wijze waarop hij dat deed valt, zoals uit het voorgaande blijkt binnen acceptabele proporties.”

De Hoge Raad overweegt hierover:

Door te overwegen als hiervoor onder 3.3 is weergegeven, heeft het hof mede als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de voor praktiserende homoseksuelen op zichzelf beschouwd kwetsende en of grievende vergelijking met fraudeurs en dieven een beledigend karakter kan missen, indien die verwijzing naar fraude en diefstal dient ter aanduiding van de in de geloofsopvatting van de verdachte verankerde opvatting omtrent het evenzeer zondige karakter van een homoseksuele levenswijze.

(…) 3.4.4. (…) Het hof mocht in dat oordeel betrekken dat de vrijheid van godsdienst en van meningsuiting mede bepalend kunnen zijn voor het al dan niet aannemen van een beledigend karakter van – op zichzelf beschouwd kwetsende of grievende – uitlatingen. De Hoge Raad neemt daarbij in aanmerking dat in ’s hofs overwegingen besloten ligt dat deze uitlatingen kenbaar in direct verband stonden met de uiting van de geloofsopvatting van de verdachte en als zodanig voor hem van betekenis zijn in het maatschappelijke debat.

Advertenties

Over zedenrecht

www.zedenrecht.nl
Dit bericht werd geplaatst in rechtspraak en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s