Europees Hof rechten van de mens homoseksualiteit


9 januari 2003, Appl. No. 39392/98

Homosexualiteit. Hogere ‘age of consent’ in vergelijking met heterosexuele en lesbische relaties.
Art. 34 EVRM. Wet wordt gewijzigd nadat EHRM klacht ontvankelijk heeft verklaard. Klagers nog altijd ‘slachtoffer’.
Art. 8 jo. 14 EVRM. Discriminatie? Hof gaat om. Onderscheid o.g.v. sexuele oriëntatie valt binnen reikwijdte van discriminatieverbod. Slechts bijzonder overtuigende redenen kunnen onderscheid rechtvaardigen. ‘Bescherming van rechten van anderen’ is legitiem doel, maar er is een steeds groeiende consensus in Europa dat een gelijke ‘age of consent’ moet gelden voor heterosexuele, lesbische en homosexuele relaties. Parlement besloot nog in 1995 om onderscheid te handhaven, ondanks wetenschappelijke inzichten. Schending.
Art. 41 EVRM. Billijke genoegdoening. Ook vergoeding van kosten rechtsbijstand voor heropening nationale procedure na veroordeling EHRM? Verzoek afgewezen.

(EVRM art. 8, 14, 34, 41)

L en V,
tegen
Oostenrijk.

A. Feiten
L werd in 1997 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden, met een proeftijd van drie jaar, wegens homoseksuele contacten met partners tussen de 14 en de 18 jaar. V werd wegens hetzelfde delict veroordeeld tot een voorwaardelijke straf van zes maanden.
De betreffende bepaling, art. 209 Sr, was gericht op vrijwillige homoseksuele contacten. In de praktijk werden gemiddeld 60 mannen per jaar vervolgd, van wie ongeveer een derde werd veroordeeld. Vergelijkbare bepalingen m.b.t. heteroseksuele en lesbische contacten ontbraken. Indien dwang of misbruik van een gezagsrelatie in het spel is, waren alle vormen van seksuele handelingen met minderjarigen verboden.
In 1989 wees het Constitutionele Hof de stelling af dat art. 209 onverenigbaar was met art. 8 jo 14 EVRM. De betrokkene wendde zich destijds tevergeefs tot de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens (Z – Oostenrijk, Appl. No. 17279/90), die meende dat het gemaakte onderscheid gerechtvaardigd was. Nadien is art. 209 bekritiseerd door het VN-Mensenrechtencomité en de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa.
In 1995 besprak het parlement de afschaffing van art. 209. Verreweg de meeste geraadpleegde experts adviseerden voor afschaffing. Zij meenden dat de sexuele oriëntatie al bij het begin van de puberteit wordt bepaald. Het is dan ook niet nodig jongeren tussen de 14 en de 18 jaar te beschermen tegen volwassen homo’s die hen zouden werven. Het voorstel tot afschaffing haalde echter geen meerderheid.

B. Procedure in Straatsburg
Begin 1997 dienen L en V een klacht in bij de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens (Appl. No. 39392/98 en 39829/98). Zij stellen dat de instandhouding van art. 209 en hun veroordeling op grond daarvan in strijd waren met art. 8 (recht op eerbieding van privé-leven), eventueel in samenhang met art. 14 (verbod van discriminatie).
In november 2001 verklaarde het Hof, dat de behandeling van de zaak inmiddels had overgenomen van de Commissie, de zaak ontvankelijk. Hetzelfde gebeurde in de zaak S.L. – Oostenrijk (Appl. No. 45330/99), waarin een minderjarige klaagde dat hij niet vrijelijk zijn seksuele oriëntatie kon volgen.
Bijzonder is dat het Oostenrijkse Constitutionele Hof vervolgens, in juni 2002, art. 209 alsnog ongrondwettig verklaarde. Kort daarop besloot het parlement om art. 209 in te trekken. Een nieuwe bepaling verbiedt onder omstandigheden seksuele handelingen met personen beneden de 16, ongeacht het geslacht van betrokkenen. Ingevolge overgangsbepalingen geldt de wetswijziging niet voor degene die al in eerste aanleg is veroordeeld o.g.v. art. 209, maar kan deze wel relevant zijn bij heropening van een zaak, bv. na een uitspraak van het EHRM.

C. Uitspraak van het EHRM
(Eerste sectie: Rozakis, Tulkens, Bonello, Vajic, Botoucharova, Kovler, Steiner)
(i) Art. 34 EVRM
Het Hof constateert dat art. 209 Sr in 2002 is komen te vervallen. Daarmee is de juridische positie van de klagers echter niet gewijzigd. Zij zijn veroordeeld o.g.v. art. 209, en hun strafblad bestaat nog steeds. Naar vaste jurisprudentie verliest een klager zijn status als ‘slachtoffer’ alleen indien de autoriteiten de schending hebben erkend en rechtsherstel hebben geboden. Dat is hier niet het geval.
(ii) Art. 8 jo 14 EVRM
Het is evident dat de zaak valt binnen de reikwijdte van art. 8 EVRM, nu een van de meest intieme elementen van het privé-leven op het spel staat. Gezien de aard van de klachten gaat het Hof na of hier een schending is van art. 8 in samenhang met art. 14 EVRM.
L en V klagen over een verschil in behandeling op grond van sexuele oriëntatie. Het Hof herhaalt dat deze grond binnen de reikwijdte van het discriminatieverbod van art. 14 EVRM valt (zie EHRM 21 december 1999, Salgueiro da Silva Mouta – Portugal (Appl. no. 33290/96; NJB 2000, p. 413, nr. 7; NJCM-Bull. 2000, p. 880, m.nt. CF; NJ 2001, 271), r.o. 28). Evenals onderscheid o.g.v. geslacht, vergt onderscheid o.g.v. seksuele oriëntatie bijzonder overtuigende redenen ter rechtvaardiging.
Het Hof aanvaardt dat art. 209 strekte ter bescherming van rechten van anderen. Dat is een legitiem doel, maar men moet nagaan of er een objectieve en redelijke rechtvaardiging is dat mannen tussen de 14 en de 18 moeten worden beschermd tegen seksuele contacten met volwassen mannen, terwijl vrouwen van dezelfde leeftijd die bescherming niet nodig hebben, of het nu contacten met mannen of vrouwen betreft.
In het verleden heeft de ECRM geoordeeld dat art. 209 niet in strijd kwam met art. 8 jo. 14 EVRM. Het EVRM is echter een living instrument dat in overeenstemming met hedendaagse maatstaven moet worden geïnterpreteerd (zie bijv. EHRM 26 februari 2002, Fretté – Frankrijk (Appl. no. 36515/97), NJB 2002, p. 714, nr. 15; NJ 2002, 553, m.nt. SW; NJCM-Bull. 2002, p. 1044, m.nt. PB). Het Hof constateert een steeds groeiende consensus in Europa dat een gelijke ‘age of consent’ moet gelden voor heteroseksuele, lesbische en homoseksuele relaties.
Het Hof overweegt voorts dat het Oostenrijkse Parlement nog in 1995 besloot om art. 209 te handhaven, hoewel het zich bewust was van de wetenschappelijke inzichten die hiertegen pleitten. Voorzover hieruit een vooroordeel van een heteroseksuele meerderheid over homoseksuele minderheid spreekt, meent het Hof dat deze niet meer een rechtvaardiging vormt voor het verschil in behandeling dan vooroordelen over ras, herkomst of huidskleur. Nu er geen overtuigende rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid naar voren is gebracht, constateert het Hof een schending. Gezien deze conclusie is het niet nodig na te gaan of ook art. 8 EVRM zelfstandig is geschonden.

D. Slotsom
Schending van art. 8 jo. 14 EVRM (unaniem), evenals in de zaak S.L. – Oostenrijk. Het Hof kent zowel L als V 15 000 euro toe ter vergoeding van immateriële schade alsmede een bedrag voor de kosten gemoeid met rechtsbijstand. Bijzonder is dat L en V tevens hadden verzocht om vergoeding van toekomstige kosten voor rechtsbijstand: op basis van de veroordeling door het EHRM willen zij immers een nationale procedure voor herziening van hun strafrechtelijke veroordeling gaan voeren. Zij verzochten het Hof dan ook dit onderdeel van de beslissing aan te houden. Het Hof oordeelt echter dat de omvang van de toekomstige kosten speculatief is. Nu de proeftijd van de klager al is verstreken, kan worden betwijfeld of het werkelijk nodig is herziening aan te vragen. Denkbaar is dat de regering gratie verleent, zodat hun strafblad wordt gezuiverd. Dit verzoek wordt dan ook afgewezen.

Advertenties

Over zedenrecht

www.zedenrecht.nl
Dit bericht werd geplaatst in rechtspraak. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s