Incest door oom


Rechtbank Amsterdam 15 december 1999, H98.2407, RN 2000, 1230 Incest door oom: Gedaagde is oom van eiseres. Eiseres is door haar oom van haar vijfde tot zestiende jaar seksueel misbruikt. De oom is hiervoor in 1997 strafrechtelijk veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf. Cassatie tegen dit vonnis loop nog. De rechtbank stelt dat door de cassatie niet betekent dat in de onderhavige procedure de ontucht niet bewezen kan worden geacht. De inhoud van de aangifte de vrouw en daarnaast ook de aangifte van seksueel misbruik door de dochter man, geven in onderling verband en samenhang bezien, zonder andersluidende verklaringen die ontbreken, geen aanleiding om te twijfelen aan het waarheidsgehalte van de verklaring van de vrouw/eiseres. Gedaagde ontkent het seksueel misbruik maar heeft geen tegenbewijs aangeboden en de rechtbank ziet evenmin aanleiding voor een ambtshalve opdracht daartoe. Eiseres vordert een deskundige te benoemen om haar vermogensschade vast te stellen en de gedaagde te veroordelen tot betaling van ƒ.30.000,00 aan immateriële schadevergoeding en primair ƒ.20.000,00 aan materiële schadevergoeding en subsidiair tot betaling van materiële schadevergoeding nader op te maken bij staat. De materiële schadevergoeding wordt volgens eiseres voornamelijk veroorzaakt wegens gederfde inkomsten als gevolg van het feit dat zij vanwege concentratiestoornissen slechts heeft gepresteerd op school en eind 1996 (het jaar van aangifte) is gestopt met haar LEAO-opleiding. De rechtbank vertaalt de vordering aldus dat eiseres weliswaar een deskundigenonderzoek wenst, maar alleen als haar materiële schade niet zonder dat onderzoek reeds op ƒ.20.000,00 wordt begroot. Uit de brief van de psychotherapeute van de vrouw aan de voormalig procureur blijkt dat het seksueel misbruik voor de vrouw heel traumatiserend is geweest. Daarbij komt dat het een feit van algemene bekendheid is dat de door de vrouw genoemde psychische klachten typerend zijn voor slachtoffers die in hun jeugd seksueel zijn misbruikt. De rechtbank acht het voldoende aannemelijk dat eiseres als gevolg van de psychische klachen in haar opleidings- en carrièremogelijkheden is beperkt. De rechtbank oordeelt dat de schade voor een groot deel uit toekomstige schade bestaat die niet nauwkeurig is te berekenen. Deze toekomstige schade dient te worden geschat. De gevorderde schadevergoeding van ƒ.20.000,00 komt de rechtbank niet bovenmatig voor, waardoor nader deskundigenonderzoek niet nodig wordt geacht. Deze wordt derhalve toegewezen.

Advertenties

Over zedenrecht

www.zedenrecht.nl
Dit bericht werd geplaatst in rechtspraak. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s